Het bijbelboek 2 Samuël beschrijft de periode die er ligt tussen de dood van de eerste koning van Israël, Saul (± 1010 BC) tot het einde van de regeringsperiode van David (± 970 BC). Eerst zien we David te Hebron koning worden over Juda en ongeveer zeven jaar later over heel Israël.
2 Samuël gaat dus voornamelijk over de regeerperiode van koning David (ongeveer veertig jaar). David heeft een hart voor God en Zijn Thora en dat betekent dat God kan zegenen, zowel David zelf als ook heel Israël. We zien ook duidelijk dat God het is die David steeds de overwinning geeft over de verschillende vijanden en hem, in eerste instantie, een stabiele regeringsperiode geeft.
Helaas komt hier een einde aan door Davids overspel met Batseba en moord op Uria. Forse moeilijkheden, vooral in eigen familie, zijn hier het gevolg van. Het komt zelfs zover dat David moet vluchten voor zijn eigen zoon Absalom. Uiteindelijk, na veel moeilijkheden, wordt David weer hersteld in zijn koningsschap.